Wat de expeditie vond
Tijdens Expeditie 501, een drie maanden durende missie georganiseerd door het International Ocean Drilling Programme (IODP) en het European Consortium for Ocean Research Drilling (ECORD), werden gerichte boringen uitgevoerd. De boorlocaties lagen op het continentale plat ten zuiden van Massachusetts, in de buurt van Nantucket en Martha’s Vineyard. Technici boren tot ongeveer 400 meter onder de zeebodem en haalden water naar boven tot rond 396 meter.
De expeditie leverde ongeveer 49,21 m³ water en verschillende sedimentkernen op. De co-hoofdwetenschappers waren Brandon Dugan en Rebecca Robinson. De resultaten werden vrijgegeven in een officiële persmededeling van de IODP.
Hoe de aquifer eruitziet en wat het water is
Metingen laten zien dat het opgehaalde water veel minder zout is dan het omringende zeewater. De meest verse monsters voldoen zelfs aan de Amerikaanse drinkwaternormen, en zelfs op de verst onderzochte plekken was het water nog maar half zo zout als gewoon zeewater. De aquifer bestaat uit zanderige lagen die als offshore-aquifers functioneren, afgedekt door een laag klei en silt, met een zone van ongeveer 200 meter laag-zout water.
De monsters worden nu verder onderzocht om te achterhalen hoe het systeem zich gedraagt en hoe oud het is. Voor dat onderzoek gebruiken wetenschappers methoden zoals radiokoolstof, edelgassen en isotopen, wat wijst op een oorsprong tijdens de laatste ijstijd, ongeveer 20.000 jaar geleden.
Waar dit idee vandaan komt
Het concept van zoet of licht brak water onder het Atlantische continentaal plat is niet nieuw. De eerste aanwijzingen dateren uit de jaren zeventig, met een geografisch bereik van New Jersey tot Maine. In die tijd vertrouwden onderzoekers vooral op afstandsmetingen met elektromagnetische methodes in plaats van op direct boren. Pas tijdens Expeditie 501 kon men die vermoedens omzetten in harde bewijzen door daadwerkelijk water naar de oppervlakte te brengen.
Wat er nog moet gebeuren en mogelijke problemen
Het winnen van deze “waterschat” brengt flinke uitdagingen met zich mee. Technische ingewikkeldheid en hoge ontginningskosten spelen mee, net als vragen over eigendom en ecologische gevolgen. Er worden alternatieven overwogen, zoals het terugdringen van de watervraag of investeren in hergebruik van water op land. De echte waarde van deze offshore-voorraden, of ze nu als noodreserve dienen of grotendeels onaangeraakt blijven, hangt af van verder wetenschappelijk onderzoek naar de omvang, de onderlinge verbondenheid en de hernieuwbaarheid van het systeem.
Nu droogtes, hittegolven en stijgende waterrekeningen vaker voorkomen, zet deze vondst water weer hoog op de agenda. Zelfs met een enorme onderzeese voorraad blijft verstandig gebruik en beheer van waterbronnen een centrale zaak voor toekomstig beleid en onderzoek.